Olafur Eliasson in het NAi op Archined
april 8th, 2007[photopress:Eliasson_Lavafloor2002_PhotoMarcDomage.jpg,full,aligntop]
‘IT MAKES A DIFFERENCE TO MAKE ART’
12 maart 2007
Voor een uitverkochte zaal in het NAi hield kunstenaar Olafur Eliasson dinsdagavond 6 maart 2007 een prachtige lezing. Het aangekondigde thema was ‘structuur’, als één van de kolommen van de architectuur, maar daar ging het gelukkig niet over. Wel ging het over zijn werk, en dan met name de ideeën erachter.
Er is iets met deze kunstenaar uit Berlijn. Zijn bekendste werk, het Weather Project in de Tate Modern – een stralende zon die af en toe achter nevels schuilging - werd vorig jaar tijdens de tweedaagse Projective Landscape conferentie bij herhaling door verschillende sprekers getoond. Niet geheel toevallig, want zijn werk is niet alleen vaak architectonisch van aard, het is vooral ook kritisch richting de consumptiemaatschappij.
Geboren en getogen in Kopenhagen vertrok Olafur Eliasson na de kunstacademie al snel naar Berlijn, om zich daar te vestigen als kunstenaar. Inmiddels heeft zijn studio veertig medewerkers, waaronder twaalf architecten. Zijn houding, zo startte hij zijn lezing, vindt haar wortels in de ideeën die aan het begin van de jaren negentig speelden in de kunstwereld. Filosoof Gilles Deleuze ontkrachtte het autonome object, het fetisjisme ervan, om alles meer relatief te maken. Het relaterende en relativerende object zou zich richting de ‘gebruiker’ bewegen, zo vatte Eliasson zijn eigen ontwikkeling alvast samen.
De hoofdmoot van de lezing bestond uit een lange reeks projecten die hij vanaf begin jaren negentig tot nu heeft gerealiseerd of gaat realiseren. Zijn werk is divers, maar een aantal thema’s keert steeds terug, zoals ‘pure natuur’, het ‘kleurenspectrum’, ‘licht’ en de ‘moebius-ring.’ De kwantiteit van de projecten is hier onmogelijk samen te vatten, dus laat ik een best of doen.
Soms is het eerste idee ook het beste. Een foto van een gifgroen kanaal in Stockholm licht Eliasson toe als een kritiek op de musealisering van de binnensteden. Een potje kleurstof, normaal gebruikt om lekken in leidingen mee op te sporen, was voldoende om een bijna magisch mooi groen spoor door het water te trekken. Een stad als Stockholm, maar net zo goed Amsterdam, Kopenhagen of Berlijn, is geobsedeerd door de status-quo. Er mag niets. Het groene spoor veranderde dat… voor ongeveer drie uur. Maar, zo voegde hij er snel en strijdlustig aan toe, na 9-11 kan zoiets niet meer.
Na een kleurexperiment met het publiek - ‘kijk voor 8 seconden naar deze groene stip’, die in haar after-image blauw leek te zijn – kwam hij op het tweede thema in zijn werk: rauwe natuur. Een aantal uit IJsland geïmporteerde manshoge ijsbrokken stelde hij tentoon in Berlijn. Het ijs, 15.000 jaar oud, was prachtig vervuild met materialen van een IJslandse vulkaan. Er was veel aan af te lezen over IJsland, vond Eliasson. Maar belangrijker was dat de blokken op -7 graden Celsius werden getoond, waardoor er een ‘mediated experience’ ontstond. ‘People found it depressing and at the same time beautiful. So that would make it melancholic’, grapte hij.
Na een serie lichtexperimenten, geluidexperimenten, en licht-geluid-experimenten komt Eliasson bij een veelhoekig, caleidoscopisch paviljoen. De onregelmatige vorm verantwoordt hij met ‘I play with my computer’. De ontwerpen worden door een aantal programmeurs parametrisch gemodelleerd, zo licht hij toe, en zijn een onderzoek naar ruimtes zonder rechte hoeken.
Volgende dia. Een ovale zon die boven de skyline van Utrecht uitsteekt. Het van achteren aangelichte doek is zodanig op de Douwe Egberts fabriek gemonteerd dat de ‘zon’ het beste te zien is vanuit de binnenstad. De buitenwijk (Leidsche Rijn) kijkt tegen de achterkant aan, concludeert hij tevreden. Een grotere versie van die zon zou later in de Turbine Hal van de Tate Modern komen te hangen.
De spanning stijgt, want op dat punt tijdens de lezing kondigt Eliasson het belangrijkste project aan waar hij momenteel aan werkt: een conceptcar voor BMW. Als de PowerPoint een paar projecten verder de beelden laat zien, is dat toch teleurstellend. Over een frame van de BMW Z8 is textiel gespannen met ijspegels eronder. ‘They are increasingly unhappy about it’, zegt hij over zijn opdrachtgever. Maar het gaat over de relatie tussen de automobielindustrie en de opwarming van de aarde.
De ruimtes van Eliasson gaan over ‘people’ en ‘consequences’, zo formuleert hij het enigszins bombastisch. Alles gaat daarover. Je moet mensen een directe feedback geven. Ruimtes moeten performatief zijn. ‘Who in our society shows some trajectories of criticality?’, gaat Eliasson verder. ‘There are only very few places in the world that are not affirmative (to the market-place).’ Meer verklapt hij niet. Bij architecten lijken we het niet te moeten zoeken. Die focussen teveel op het ‘hoe’, en niet of nauwelijks op het ‘waarom’, klaagt hij. Werkend met zowel musea als architecten, vind Eliasson architecten verreweg het moeilijkst.
Een museum moet volgens Eliasson relational zijn, net als kunst. De consumptiemaatschappij is dat niet; een nieuw product moet het vorige vervangen alsof het niet bestond. Zelf ontwierp hij een verbouwing van het Smithsonian Museum in Washington waarin hij met een volledig glazen hellingbaan langs de gevel verschillende delen aan elkaar ‘relateert’. De glaswand van de hellingbaan laat hij golven, omdat je anders niet ervaart dat je loopt, beweegt. ‘Maybe too dogmatic’, constateert hij zelf gelukkig ook al. Kunst gaat niet zomaar over in architectuur, zoveel is duidelijk.
Kijkend naar de toekomst ziet Eliasson ruimte voor een nieuw soort praktijk, die wel erg op die van hemzelf lijkt: een combinatie van kunst en architectuur die een ‘new responsible criticality’ kan bereiken, vanuit een engagement met de realiteit. Niet socialistisch, niet links of rechts, maar om mensen het gevoel te geven dat hun leven ertoe doet, en dat ze onderdeel zijn van een gemeenschap. Sociale en natuurlijke duurzaamheid. En lachend: ‘Art shows the way’. Tot slot: ‘I have a dream that content wins over form. I don’t want to kill form completely, because that is what my work is about, but almost.’
Na afloop van de lezing bij de borrel vroeg ik Olafur Eliasson of er (nog) kritische architecten zijn. Zijn antwoord was verassend en bijna metaforisch: architecten rennen door het leven, hebben altijd haast en nergens tijd voor, en zijn geobsedeerd door macht. Kwaliteit van leven, en tijd voor een gesprek, is er – een uitzondering daargelaten – niet bij. Met Rem Koolhaas vat hij ‘de architect’ samen: ‘If you don’t say something interesting, in five seconds his attention is gone.’
In theorie is een gebouw de grootste kunstinstallatie die er mogelijk is, zo lijkt Eliasson te denken. Architectuur is alleen geen kunstwerk, maar een consumptiegoed. Er gloort echter hoop (een stralende zon?) aan de horizon, want steeds meer architecten heroriënteren zich op kunst als inspiratie voor hun ontwerpen. Kijk maar naar het werk van bijvoorbeeld Herzog & de Meuron, en op Hollandse bodem naar het werk van Claus & Kaan.
(Bron: Archined)
Related article